Dialoog: Hoe houden we controle over onszelf, zodat we niet meegesleurd worden door de media?
Samenvatting
De dialoog onderzoekt de vraag hoe een mens grip op zichzelf houdt zonder meegesleurd te worden door de media. Aan de hand van een casus — een willekeurig aangezette televisie die een onaangename, agressieve uitzending toonde — en de vooronderstellingen we hebben controle, als je controle houdt word je niet meegesleurd en de media is onbetrouwbaar tekent zich een verschuiving af. Controle blijkt minder een kwestie van de buitenwereld beheersen dan van kiezen wat je toelaat en hoe je je ertoe verhoudt: emotioneel (de tv uitzetten) of cognitief (je verdiepen in wat er werkelijk gebeurt). Gaandeweg wordt zichtbaar dat meegesleurd worden niet altijd slecht is, dat invloed en betrokkenheid in balans gehouden willen worden, en dat betrouwbaarheid van media samenhangt met de vraag of nieuws bevestigt wat al geloofd wordt of juist confronteert met wat schuurt.
Filosofische vragen
In de openingsronde werden de volgende vragen ingebracht:
- Hoe belangrijk is creativiteit om maatschappelijke problemen op te lossen? / Wat is creativiteit?
- Hoe houden we controle over onszelf, zodat we niet meegesleurd worden door de media?
- Wat betekent succesvol zijn?
- Wat is een goed bestaan?
- Is het erg als iemand besluit uit het leven te stappen?
- Wanneer is angst een goede raadgever?
- Is het wenselijk dat je emoties en gevoelens laat meewegen bij beslissingen?
De vraag die behandeld wordt is: Hoe houden we controle over onszelf, zodat we niet meegesleurd worden door de media?
Methoden
Als onderzoeksmethode werd gekozen voor het onderzoeken van vooronderstellingen: de aannames die onder de vraag liggen en die de vraag pas mogelijk maken. Ter ondersteuning werd een casus ingebracht en op de achtergrond gehouden, om bij abstractie iets concreets bij de hand te hebben.
De casus: bij het willekeurig aanzetten van de televisie verschijnt een demonstratie van vooral jonge mannen die roepen dat Nederland van hen is. De toon is agressief en roept de vraag op: waar kijk ik naar? De televisie gaat meteen weer uit, maar een ellendig gevoel blijft achter.
Uit de vraag werden onder meer deze vooronderstellingen verzameld: je kunt meegesleurd worden; we hebben controle; er is zoiets als de media; controle houden betekent soms geen kennis; er is een zelf; als je controle houdt word je niet meegesleurd; er zijn manieren om controle te houden; we willen controle houden; de media is onbetrouwbaar; controle bestaat; het is niet goed om meegesleurd te worden; controle bestaat niet.
Achtereenvolgens werden onderzocht: we hebben controle, als je controle houdt word je niet meegesleurd en de media is onbetrouwbaar.
Dialoog
Het onderzoek begint bij de vooronderstelling we hebben controle, met de casus op de achtergrond.
Het uitzetten van de televisie is een manier om controle uit te oefenen: de toevoer van informatie waar je je ellendig door voelt, wordt gestopt. Toch is er op dat moment al iets binnengekomen dat doorwerkt en een eigen leven gaat leiden; de invoer stopt, maar de uitwerking niet. Daarbij komt het besef dat veel andere mensen diezelfde beelden zien — wat eerder een gevoel van weinig controle over de wereld geeft dan van grip. De vraag verschuift naar binnen: de informatie is er, ze roept vragen en een emotie op, en de kwestie wordt of daar controle over mogelijk is. Kun je die vragen en dat gevoel parkeren en doorgaan met de dag, of bepalen ze het humeur? Zelfs in de vraag “wat doet dit met mij” schuilt al een vorm van controle, in positieve zin: er wordt richting gegeven aan de eigen verhouding tot het gebeurde.
Het wegleggen van een naar gevoel is echter niet hetzelfde als controle; het kan ook verplaatsing zijn, een vorm van zelfbescherming. Een mogelijke troost ligt in de gedachte dat ieder mens doet wat hij doet omdat hij niet anders kan — ook wie staat te schreeuwen zou anders handelen als dat mogelijk was. Daartegenover staat de overtuiging dat er wél controle over de eigen gedachten bestaat: zoals de televisie bewust uitgezet kan worden, kan ook bewust gedacht worden “dit wil ik niet”.
Een andere weg naar controle is juist méér kennis. In de casus ontstond het ellendige gevoel zonder te weten waar precies naar gekeken werd — hoe groot de demonstratie was, wat de context was, bleef onbekend. Dat niet-weten is zelf een vorm van controleverlies; kennis kan grip teruggeven. Zo tekenen zich twee manieren van controle uitoefenen af: een emotionele (de toevoer stoppen) en een cognitieve (je verdiepen in wat er werkelijk gebeurt). Welke van beide gekozen wordt, is zelf óók een keuze. En die keuze wordt gekleurd door de toestand waarin iemand verkeert: vanuit angst valt een beslissing anders en sneller uit dan vanuit een gevoel van veiligheid.
Hier dient zich bijna een tweede casus aan: het bewust stoppen met nieuws kijken omdat het de dagelijkse gemoedstoestand te sterk beïnvloedde — beelden van ondervoede kinderen raken diep — met het besef dat dit het andere uiterste is. De wens is ergens in het midden uit te komen, zonder dat de weg daarheen al duidelijk is. Wie dagelijks “anders” wordt door het nieuws, is in zekere zin al meegesleurd. Daarmee verschuift de eigenlijke vraag naar binnen: hoe kom ik in het midden uit, hoe laat ik me in beperkte mate beïnvloeden? — wat samenvalt met de hoofdvraag.
Als voorlopig antwoord op we hebben controle: er is controle over wat toegelaten wordt, en daarin zijn keuzes te maken, mede afhankelijk van hoe het met iemand gaat. Over wat er in de wereld gebeurt is veel minder controle. Met de Tweede Wereldoorlog als referentiekader klinkt het dilemma door: dat veel mensen uit zelfbescherming wegkeken is invoelbaar, en juist daarom een dilemma. Het spanningsveld wordt benoemd als dat tussen betrokkenheid en invloed: wie zich sterk betrokken voelt maar zijn invloed beperkt weet, kan twee dingen doen — de betrokkenheid verkleinen (niet meer kijken), zodat invloed en betrokkenheid weer op gelijke hoogte komen, of proberen de invloed te vergroten. Invloed op wat er in de wereld gebeurt zal er echter nooit volledig zijn. De enige werkelijke invloed ligt bij het eigen gedrag en de eigen gedachten, en daarmee bij de richting van het eigen gevoel. Informatie waarop geen invloed bestaat, kan gelaten worden voor wat ze is; de beperkte invloed die er wél is, kan gevuld worden met waardering en dankbaarheid — een houding die ook voor anderen aanstekelijk werkt.
Het onderzoek gaat over naar de vooronderstelling als je controle houdt, word je niet meegesleurd.
Een manier om niet meegesleurd te worden vraagt eerst de erkenning dat er ellende in de wereld bestaat, en vervolgens het loslaten van de gedachte dat daar alle gewenste invloed op uit te oefenen is — zonder de eigen invloed te onderschatten. Misschien helpt het geen verwachtingen te hebben maar wel hard te werken: zonder verwachtingen geen teleurstelling of boosheid, en geen verspilde energie.
Maar wat is controle dan? Het beeld van touwtjes in handen — trekken en iets komt naar je toe — staat haaks op meegesleept worden. De zee biedt een tegenbeeld: op een boot is er enige controle over het vaartuig, en toch sleept de golfslag mee. Zolang roer en zeilen heel zijn is dat niet erg; pas als ze breken verdwijnt de controle en gaat de beweging een richting op die niemand wil. Meegesleept worden is dan: een ongewenste richting op gaan. De zee staat hier voor het zitten vóór de televisie en het consumeren van ellende; de controle ligt in het kiezen welk nieuws wel en niet binnenkomt, zonder zich helemaal buiten de wereld te plaatsen.
Daar staat een ander beeld tegenover. Meegesleept worden hoeft niet naar te zijn: het meeleven met een sportwedstrijd kan iemand volledig in een euforie meevoeren waar hij zichzelf naderhand niet in herkent — controleverlies, maar plezierig. Zo ook in de liefde, waar overgave een topervaring kan zijn. Meegesleurd worden impliceert een zekere riemloosheid: het loslaten van controle om iets nieuws te kunnen ervaren. Wie altijd de controle houdt, komt nooit op nieuwe paden. Wellicht is er nooit echte controle, maar slechts invloed.
Die overgave heeft ook een scheppende kant: niet alleen het negatieve toelaten, maar zelf positieve dingen neerzetten en anderen daarin meenemen. Het voorbeeld is een groep mensen die zich zorgen maakt over klimaat en milieu en een doek maakt met alle verdwenen dieren, met het plan er een ludieke optocht van te maken. Door iets creatiefs en speels te maken dat tegelijk toont wat verloren ging, kunnen mensen wakker geschud worden — juist wie de hoop op het klimaat heeft opgegeven kan zo weer een beetje losgemaakt worden.
Ten slotte wordt de vooronderstelling de media is onbetrouwbaar onderzocht.
Daartegenover staat de stelling dat media betrouwbaar zijn zolang ze duidelijk weergeven wat feit is en wat interpretatie. Maar het begrip “feit” blijkt glibberig: een feit geldt als feit totdat het weerlegd wordt. Dat verbindt zich met het beeld van de metafysische bubbel: we leven in een verhaal en houden dat voor de werkelijkheid, vol feiten — maar bij de overgang naar een nieuw verhaal blijken die feiten ineens weerlegd. Zo dringt de vraag zich op wat het doel van media eigenlijk is. Media zijn verhalenvertellers, en willen ze mensen naar een nieuw verhaal of een nieuwe toekomst brengen, dan hangt veel af van hóe het verhaal verteld wordt.
Bij verhalenvertellers hoort de keuze wát verteld wordt, en die keuze verschilt per krant en omroep. Er valt te kiezen tussen titels, en de televisie kan aan en uit — maar de media bepalen wat er te consumeren valt, en daarop is nauwelijks invloed uit te oefenen, hooguit via brieven of het opzeggen van een lidmaatschap. Tegelijk wordt vertrouwen geschonken aan bepaalde kranten en uitzendingen; daarin schuilt wel degelijk een keuze. Dat vertrouwen is deels noodzaak: niet alles is zelf te controleren, en wie informatie tot zich wil nemen moet die deels uit handen geven.
Maar misschien voelen de gekozen media juist vertrouwd omdat ze het verhaal bevestigen waarin iemand al leeft. Dat voelt gemakkelijk en veilig en roept minder twijfel of nare gevoelens op — en is daarmee zelf óók een vorm van meegesleurd worden, namelijk meegevoerd in het reeds geloofde verhaal. Of media betrouwbaar zijn, valt dan niet eenduidig te zeggen: de media zijn te verscheiden. Wel geldt dat media die vertrouwd aanvoelen als betrouwbaar ervaren worden.
Daarbij klinkt een zorg door: nieuws is vaak negatief, feiten zijn moeilijk te achterhalen, en waar vroeger — wellicht naïef — het gevoel bestond dat media feitelijk nieuws brachten, lijkt nu iedereen via sociale media van alles te kunnen roepen, tot het punt dat jonge kinderen platforms als uitgangspunt voor nieuws nemen. Daartegenover staat de herinnering aan oude krantenberichten die louter feitelijk verslag deden — een aanrijding, gewonden, snel opgelost — zonder ruimte voor oordeel, zodat de lezer zelf kon nadenken. Het onbetrouwbare in de media van nu zou dan zitten in de ruimte die de verslaggever neemt voor het eigen oordeel. Toch is ook dat te nuanceren: ook de keuze wát opgeschreven wordt en wat niet, kleurt het bericht.
Die kleuring is bovendien van alle tijden — tot in berichtgeving over eeuwenoude gebeurtenissen toe, waarin verzwegen of juist breed uitgemeten werd wat van pas kwam. Nieuws wordt zo gebracht als het uitkomt, alleen op steeds andere manieren.
Dat voert naar de kernvraag wat betrouwbaarheid eigenlijk is. In “betrouwbaarheid” klinkt “vertrouwen”: vertrouwd wordt op media die betrouwbaar heten. Maar dat vertrouwen kan twee kanten op. Ligt de betrouwbaarheid in het feit dat een medium iemand in de eigen bubbel bevestigt en een veilig gevoel geeft? Of ligt ze juist in het vertrouwen dat een medium kan confronteren met nieuws van buiten die bubbel, met wat ongemakkelijk is en schuurt met het eigen verhaal? Daarmee keert de dialoog terug bij haar begin: controle, meegesleurd worden en de media blijken alle drie te draaien om de vraag of we het bekende bevestigd willen zien, of de moed hebben ons te laten verstoren.
Over Innovatieve Democratie
Innovatieve democratie is een filosofie en een methode. Het wordt toegepast op maatschappelijke vraagstukken waar vernieuwing van denken en doen wenselijk is en voor menselijk begrip in groepen. Met de methode analyseren we het narratief waarin we leven en hoe en waarom we deze internaliseren en blijven voortzetten, zelfs als de verhalen waarbij we leven blokkerend zijn voor een goed menselijk bestaan.
Innovatieve democratie creëert bewustwording van overtuigingen over onszelf, onze cultuur en leert ons echt te luisteren. Hierdoor kunnen we fundamenteel anders denken over onszelf en uitdagingen waar we voor staan, zoals het behouden van controle over jezelf in een tijd van media en informatie.
Meer informatie op Open Research