Dialoog: Wat is intuïtie?

Samenvatting

De dialoog onderzoekt de vraag wat is intuïtie? langs de vooronderstelling dat intuïtie bestaat en de subvraag waar intuïtie op gebaseerd is. Snel ontstaat overeenstemming dat intuïtie bestaat: een gevoel dat in een ontmoeting opkomt en vaak — maar niet altijd — blijkt te kloppen. Daarmee dient zich meteen de noodzaak aan dat gevoel te blijven bevragen. Intuïtie blijkt geworteld in ervaring en onbewuste oordelen, gekleurd door emoties en door basisbehoeften uit de vroege jeugd, en mogelijk mede gevoed door een externe bron — een energie of eenheidsbewustzijn dat mensen verbindt, al keert die bron uiteindelijk terug in de eigen ervaring. Een spanning komt naar voren tussen intuïtie als flitsende, directe impuls en intuïtie als vrucht van reflectie en rust. Die spanning lost op in het beeld dat intuïtie het moment is waarop gehandeld wordt — vergelijkbaar met de dans die voortkomt uit jarenlange training — terwijl ervaring, reflectie en meditatie het vermogen vormen om die intuïtie helderder en beter te gebruiken. De dialoog eindigt bij het inzicht dat er niet één intuïtie is maar vele, die zich in verschillende richtingen ontwikkelen en zelfs collectief — door een gemeenschap, bijvoorbeeld in een raadszaal — opgebouwd kunnen worden.

Filosofische vragen

In de openingsronde werden de volgende vragen ingebracht:

  • Hoe kan ik het stille midden horen?
  • Hoe kunnen we het denken en praten van de politiek omzetten in daadkracht?
  • Wat is vrij zijn?
  • Wat is goed leven?
  • Mag ik konijnen in een hok houden?
  • Wat is intuïtie?
  • Hebben wij een hitteplan nodig?
  • Wat is vrijheid?

De vraag die behandeld wordt is: Wat is intuïtie?

Methoden

Als onderzoeksmethoden werden gekozen voor het benoemen van subvragen en het onderzoeken van vooronderstellingen — de aannames die onder de vraag liggen. Er werd geen casus ingebracht.

Aan subvragen werden onder meer verzameld: bestaat intuïtie? gebruiken vrouwen meer intuïtie dan mannen? kan je intuïtie aanleren? zijn er dingen die intuïtie in de weg kunnen zitten? waar is intuïtie op gebaseerd? heeft intuïtie een verband met basisbehoeften? is intuïtie iets collectiefs of iets persoonlijks? is er een verband tussen intuïtie en synchroniciteit? is intuïtie hetzelfde als het onderbuikgevoel? wat is de relatie tussen intuïtie en angst?

Aan vooronderstellingen werden genoemd: intuïtie bestaat; het gebruik van intuïtie is gevaarlijk; intuïtie is iets bespreekbaars; intuïtie is een menselijke eigenschap; intuïtie is betrouwbaar.

Achtereenvolgens werden onderzocht: de vooronderstelling intuïtie bestaat, de subvraag waar is intuïtie op gebaseerd? en de subvraag zijn er dingen die intuïtie in de weg kunnen zitten? — om ten slotte terug te keren naar de hoofdvraag wat is intuïtie?

Dialoog

Het onderzoek begint bij de vooronderstelling intuïtie bestaat.

Intuïtie bestaat, want in de ontmoeting met een ander komt soms een gevoel op over de vraag of die ander betrouwbaar is, en dat gevoel blijkt achteraf vaak te kloppen. Tegelijk is daar een nuance: bij het zien van iemand komen meestal meerdere indrukken tegelijk op. Op welke daarvan vaar je, en waarop is die gebaseerd? Voorafgaande ervaring met soortgelijke mensen voedt de intuïtie. Maar het is ook vaak misgegaan, en juist daarom verdient die intuïtie het om telkens bevraagd te worden — een snelle reactie op het uiterlijk van een ander grijpt blijkbaar terug op een eerdere ervaring, terwijl meestal niet te zeggen valt waarop precies. Hooguit achteraf, bij nader nadenken, wordt zichtbaar waarom iemand wel of niet vertrouwd werd.

Dat de intuïtie ook in de maling kan nemen, maakt dat er niet altijd blind op te varen valt. Misschien is wat dan misleidt iets anders dan intuïtie: iets waardoor men zich liet afleiden en dat ten onrechte voor intuïtie werd aangezien. Daarmee verschijnt het begrip onbewust oordeel: intuïtie houdt in dat een oordeel geveld wordt, maar dat gebeurt op grond van onbewuste conclusies uit ervaring. Intuïtie is dus gefundeerd op ervaring. Wie zijn hele leven al intuïtief leeft, merkt bovendien dat de intuïtie verfijnt naarmate de levenservaring groeit — en dat ze sterker wordt wanneer er regelmatig tijd genomen wordt om geest en lichaam tot rust te brengen. Steeds blijft de noodzaak om te toetsen: klopt het wel, of speelt er iets uit het verleden mee?

Hiermee wordt de vooronderstelling intuïtie bestaat bevestigd: er bestaat overeenstemming dat ze bestaat.

Het onderzoek gaat over naar de subvraag waar is intuïtie op gebaseerd?

Intuïtie wordt gekleurd door emoties, en die emoties hangen samen met de relatie tot een persoon of de betrokkenheid bij een situatie. Naarmate er meer emotie in het spel is — wanneer iets persoonlijk op het spel staat — groeit het wantrouwen tegenover de eigen intuïtie. Onder die emoties liggen veel aangeleerde ervaringen, al van kindsbeen af: een snoepje is zoet en dus lekker, en zo dragen talloze vroege ervaringen bij aan de manier waarop later gereageerd wordt.

Dieper nog reiken de basisbehoeften. Het gevoel dat iemand niet eerlijk of niet open is, kan teruggrijpen op een vroege ervaring waarin men zich onveilig voelde; daarmee raakt de intuïtie aan de behoefte aan veiligheid. Wat zich later in het leven voordoet, kan zo’n oude basisbehoefte triggeren, waarna de intuïtie waarschuwt voor wat eerder werd meegemaakt. Maar de oude ervaring hoeft niet het laatste woord te hebben: door te herijken kan een gebeurtenis in een ander licht komen te staan en niet langer als onveilig gelden. Het leven is niet te veranderen, de reactie erop wel. Daarom blijft het belangrijk telkens opnieuw te toetsen: een reactie kan voortkomen uit een reflex of intuïtie die ooit juist was, terwijl de huidige situatie vraagt om anders te reageren. In rust en reflectie kan zo’n keuze gemaakt worden, en kan de intuïtie even geparkeerd worden ten gunste van een andere afweging. Intuïtie blijft daarmee een belangrijk kompas — bijvoorbeeld in de zoektocht naar veiligheid — maar mag nooit zomaar gevolgd worden, zoals een navigatiesysteem dat “ga links” zegt en regelrecht de sloot in stuurt: de handen blijven aan het stuur, en het denken blijft meedoen.

Tegenover deze verankering in eigen ervaring komt een ander perspectief op. Intuïtie zou ook iets kunnen zijn dat uit een andere ruimte komt — de ruimte van energie. Soms dient zich het gevoel aan “dit is wat ik nu ga doen”, en wanneer men daar zuiver op afgestemd is, klopt het. Maar datzelfde gevoel kan misleiden wanneer het in werkelijkheid gekleurd is door ervaringen of emoties; dan was het niet de intuïtie maar iets uit de basisbehoeften. In dit beeld is iedereen verbonden door een energie die de hele wereld doortrekt, en wat intuïtie heet, zou die energie kunnen zijn waarnaar gehandeld wordt — een onderlinge verbondenheid, een eenheidsbewustzijn, waarbij de intuïtie mede bepaald wordt door iets buiten de mens.

Toch keert dat externe perspectief weer naar binnen. Die energie, dat eenheidsbewustzijn, is uiteindelijk ook een bewustzijn van zichzelf en daarmee een ervaring van zichzelf — een onbewuste ervaring die in de mens zit. Hoe meer er over intuïtie gesproken wordt, des te sterker het besef dat ze telkens terugkeert bij het zelf: rust nemen, voelen, denken. Het denken is niet te omzeilen, want ondanks het intuïtieve “ik kán dit doen” blijft de vraag staan “kán ik dit doen”. Zo tekent zich af dat de bron van intuïtie zowel persoonlijke ervaring kan zijn als een externe bron; maar zelfs een externe bron komt uiteindelijk in de mens terecht, die op grond daarvan zelf een besluit neemt en handelt. Misschien doet het er dan niet zoveel toe waar de intuïtie vandaan komt, omdat er hoe dan ook zelf iets mee gedaan moet worden.

Kort wordt de subvraag zijn er dingen die intuïtie in de weg kunnen zitten? aangeraakt.

Wanneer voldoende rust met zichzelf genomen is om te onderzoeken welke ervaringen en emoties de waarneming kleuren, kan de ander helderder worden waargenomen. De intuïtie komt nog steeds uit de eigen ervaring, maar dan met meer helderheid over waar iets vandaan komt. Vanuit langdurige meditatie-ervaring blijkt dat veel in het lichaam is opgeslagen en door een externe factor getriggerd wordt; naarmate helderder wordt wat dat gevoel of die sensatie precies is, wordt zichtbaarder waar het vandaan komt. Alle primaire behoeften, ervaringen en emoties dalen neer in het lichaam en kleuren de waarneming; wie ze waarneemt, kan des te helderder ook buiten zichzelf waarnemen. Daarmee is wat de intuïtie in de weg kan zitten, tegelijk datgene wat haar voedt.

Vanuit deze verkenning keert de dialoog terug naar de hoofdvraag wat is intuïtie?, waar zich een spanning aftekent.

Er lijken twee tegengestelde dingen gezegd te worden. Aan de ene kant: door rust, waarneming en reflectie begrijp je beter waar je intuïtie vandaan komt, en kun je er beter op vertrouwen. Aan de andere kant: intuïtie is iets wat zomaar gebeurt — je loopt ergens binnen, ziet iemand staan en weet in een halve seconde “om deze persoon loop ik met een boog heen, dit is slecht nieuws”, of je stapt juist meteen op iemand af. Dat heeft niets te maken met reflectie, diep nadenken of meditatie. Is intuïtie dus iets directs waarop onmiddellijk gehandeld wordt, of iets wat voortkomt uit langdurig overpeinzen, voelen en reflecteren?

Voor sommigen levert dat geen spanning op maar vallen beide samen — er zijn meerdere lagen. Daarbij is er de verwondering over een energie van buitenaf die invloed uitoefent: woorden worden in het moment gegeven en achteraf weet men niet meer hoe men erop kwam. Die energie van buiten sluit kennelijk aan op een energie van binnen, en daar gebeurt het heel intuïtief. Voor anderen blijft het juist een open vraag: gebeurt iets binnen een seconde uit intuïtie, of uit instinct? En zou ook dat directe gevoel al gekleurd kunnen zijn door alle doorleefde ervaringen — is er een spanningsveld, of een nog niet doorziene samenhang?

Een nieuwe wending komt met de vraag of intuïtie zich kan ontwikkelen. Misschien is de ervaren spanning niet meer dan de ontwikkeling van de intuïtie: een sterke eerste impuls die onderzocht wordt — door stil te zitten, te mediteren, te voelen wat er in het lichaam gebeurt — waarna een nieuwe, gerijpte vorm van intuïtie ontstaat. De twee polen die als tegenstrijdig werden ervaren, zouden dan twee punten op een tijdlijn zijn, met ontwikkeling ertussen. Tegelijk blijft de vraag of dat reflecteren wel intuïtie is, of eenvoudigweg ervaringsreacties: intuïtie wordt immers ook begrepen als de directe, ongereflecteerde reactie die bij kinderen zo zichtbaar is. Wie denkt en handelt omdat de kennis er nu eenmaal is — is dat dan nog intuïtie? Daartussen ligt nog een stap: de ervaring zelf. Bij intuïtief handelen volgt een snelle reactie, en omdat de ervaring er is, weet men ongeveer hoe het uitpakt; daarna kan rustig overdacht worden of het goed uitpakte, en zo wordt de intuïtie bijgewerkt.

Samenvattend blijkt intuïtie veelzijdig: ze kan een flits zijn of juist bedachtzaam; ze is gebaseerd op ervaringen, ook uit de jeugd; ze kan gekleurd zijn en door reflectie weer helder worden; en ze kan zich ontwikkelen naarmate de levenservaring groeit.

De spanning lost dan ook op. Intuïtie is datgene wat helpt om in het moment snel te handelen, en alles wat daaraan voorafgaat — reflectie, ervaring, meditatie — helpt om die intuïtie steeds helderder en beter te gebruiken. Het beeld is dat van de dans: na jarenlang trainen worden op een gegeven moment bewegingen gemaakt zonder erbij na te denken, gebeurt er intuïtief iets waarvan zelfs de danspartner kan zeggen “wat gebeurde daar nou? Ik weet het niet, maar het werkte.” De intuïtie is niet de training, niet de reflectie en niet het zelfonderzoek, maar het moment waarop het gebruikt wordt — de dans die in het leven wordt toegepast op basis van alle ervaring en alle gevoel. Het is het middel dat in het moment zelf wordt ingezet, en dat zich heeft ontwikkeld en getraind, mede gevoed door ervaringen van buitenaf.

Diezelfde analogie roept een laatste tegenstelling op. Een kind is juist heel intuïtief terwijl het weinig levenservaring heeft — hoe verhoudt zich dat tot het idee dat intuïtie pas door jarenlange oefening goed ontwikkeld raakt? Het kind reageert misschien zuiverder in het moment, juist omdat het minder meedraagt. Het vermogen om bij de intuïtie te komen kent zo zowel een opbouw als een afbouw: het kan getraind en ontwikkeld worden, en dat geldt mogelijk ook collectief — in hoeverre komt intuïtie voort uit het bewustzijn dat alle mensen met elkaar verbonden zijn, en berust ze dus niet alleen op eigen ervaring maar ook op een collectieve ervaring?

De ontknoping ligt in het loslaten van de intuïtie als één ding. Er zijn vele intuïties. Wie opgroeit in de stad ontwikkelt een intuïtie voor de stedelijke omgeving — “streetwise” —; wie opgroeit in het bos een intuïtie voor de natuur en de dieren; wie danst een intuïtie voor het dansen. Een kind heeft direct na de geboorte de intuïtie om de moederborst te vinden, terwijl complexere intuïties zich door het leven heen ontwikkelen. Intuïtie kan dus in verschillende richtingen groeien, individueel én collectief: een gemeenschap of een land kan een collectieve intuïtie ontwikkelen door erop te trainen en te reflecteren — bijvoorbeeld in een dialoog in een raadszaal — los van de persoonlijke intuïtie waarmee iemand de verhouding tot zijn eigen kinderen vormgeeft.

Over Innovatieve Democratie

Innovatieve democratie is een filosofie en een methode. Het wordt toegepast op maatschappelijke vraagstukken waar vernieuwing van denken en doen wenselijk is en voor menselijk begrip in groepen. Met de methode analyseren we het narratief waarin we leven en hoe en waarom we deze internaliseren en blijven voortzetten, zelfs als de verhalen waarbij we leven blokkerend zijn voor een goed menselijk bestaan.

Innovatieve democratie creëert bewustwording van overtuigingen over onszelf, onze cultuur en leert ons echt te luisteren. Hierdoor kunnen we fundamenteel anders denken over onszelf en uitdagingen waar we voor staan, zoals de vraag wat intuïtie is en hoe ze ons handelen stuurt.

Meer informatie op Open Research