Dialoogverslag: Wanneer is het goed om je oordeel te geven?
Samenvatting
In deze dialoog werd onderzocht wanneer het goed is om een oordeel te geven. De centrale bevinding is dat een oordeel niet per definitie negatief is, maar zowel positief als neutraal kan zijn. Hoewel elk oordeel subjectief gekleurd is door emoties en persoonlijke ervaring, kan men dichter bij objectiviteit komen door de eigen subjectiviteit te onderzoeken en te toetsen in dialoog met anderen. De gedachte ontstond dat een oordeel wenselijk is wanneer het bijdraagt aan een constructieve, gedeelde werkelijkheid. Het model van beeldvorming, oordeelsvorming en besluitvorming biedt hierbij een bruikbaar kader: voordat een oordeel geveld wordt, gaat er beeldvorming aan vooraf, waarna het oordeel kan leiden tot besluitvorming.
Filosofische vragen
De volgende filosofische vragen werden ingebracht:
- Wanneer is het goed om je oordeel te geven?
- Wie ben ik in een dialoog als ik leef vanuit de norm van vijf menselijke waarden (liefde, rechtschapenheid, juist gedrag, geweldloosheid en vrede)?
- Wat is een emotie?
- Hoe kan ik de ander ontmoeten?
- Maakt lief en leed delen het leven zinvol?
- Is schuldgevoel nuttig?
- Ontstaat waarde door de gedachte van de mens?
- Hoe werken we aan een gelukkige en vreedzame samenleving als mensen tegenstrijdige belangen hebben?
Bij de keuze voor een vraag bleek dat meerdere deelnemers geraakt werden door de vraag over oordelen. De associatie met veroordelen, de spanning tussen oordeel en vooroordeel, en de basale vraag wanneer een oordeel gewenst is, maakten dat deze vraag gezamenlijk werd gekozen.
De vraag die we behandelen is: Wanneer is het goed om je oordeel te geven?
Methoden
Om de vraag te onderzoeken werden vier methoden aangedragen:
- Definities – Wat verstaan we onder de woorden in de vraag?
- Vooronderstellingen – Welke aannames zitten er in de vraag verborgen?
- Subvragen – Welke deelvragen roept de hoofdvraag op?
- Casus – Een concreet voorbeeld uit eigen ervaring
Er werd gekozen om te werken met een combinatie van casus, vooronderstellingen en subvragen.
Casus: Er werd een persoonlijke ervaring ingebracht over kinderbescherming, waarin iemand als moeder werd beoordeeld door externe instanties. Dit voorbeeld illustreerde hoe oordelen kunnen worden geveld door mensen zonder directe verbinding met de situatie, en hoe dat als een beperkte zienswijze kan worden ervaren.
Vooronderstellingen die in de vraag werden gehoord:
- Dat er een oordeel gegeven zou moeten worden
- Dat een oordeel negatief is
- Dat er goede en verkeerde momenten zijn om een oordeel te geven
- Dat een oordeel objectieve waarde heeft voor anderen
- Dat een oordeel gesloten en definitief is
- Dat het tijdsafhankelijk is wanneer een oordeel gegeven wordt
- Dat men in staat is om een oordeel te geven
Subvragen die werden geformuleerd:
- Is een oordeel negatief?
- Is een oordeel per definitie subjectief?
- Wanneer is iets een oordeel?
- Is het oordeel gebaseerd op concrete feiten?
- Kan men oordeelsvrij leven?
- Wie ben ik om het beter te weten?
- Zijn er situaties waarin het gewenst is om een oordeel te geven?
Dialoog
De subvraag: Is een oordeel negatief?
Het onderzoek begon met de subvraag of een oordeel per definitie negatief is.
Als eerste werd het voorbeeld van een rechtszaak ingebracht. In een rechtszaak is een oordeel een afweging tussen twee elementen – niet inherent negatief, maar een neutrale vaststelling. Dit werd aangevuld met het voorbeeld van een kopje koffie: wanneer iemand zegt “dit is een heerlijk kopje koffie”, is dat ook een oordeel, maar dan een positief oordeel.
Hier ontstond de gedachte dat dit positieve oordeel over koffie subjectief is – het is emotioneel gekleurd. De conclusie volgde dat oordelen tot stand komen op basis van emotie, en dat een uitgesproken oordeel, ook wanneer het gebaseerd lijkt op ogenschijnlijke feiten, subjectief blijft.
Er werd tegengeworpen dat een waardeoordeel ook gebaseerd kan zijn op feiten. Het voorbeeld van kindermishandeling werd aangehaald: wanneer een arts vaststelt dat een kind onder de blauwe plekken zit en gebroken botten heeft, kan het oordeel dat er sprake is van mishandeling op feiten worden gebaseerd. De vraag rees of dit dan een objectief oordeel is.
De reactie hierop was dat het menselijk aspect niet weg te denken is uit het oordelen. Zelfs bij feitelijke waarneming blijft er een subjectief element. Toch werd gesteld dat het mogelijk is om als mens een vorm van objectiviteit na te streven door kennis van de eigen subjectiviteit. Door het onderzoeken van de eigen emoties, sentimenten en vooroordelen kan men dichter bij objectiviteit komen.
Dit werd verder uitgewerkt met de gedachte dat zelfkennis tot stand komt via dialoog met anderen. De ander fungeert als een spiegel, een toetsing. Het eigen innerlijke proces – “hoe zit mijn subjectiviteit eruit?” – kan worden getoetst op het moment dat de verbinding met de ander wordt gezocht.
De conclusie op de subvraag luidde: een oordeel is niet per definitie negatief, maar kan ook positief of waardevrij zijn. Tegelijkertijd zijn oordelen per definitie subjectief, maar kan er een bepaalde mate van objectiviteit worden bereikt door voortdurend te toetsen aan elkaars subjectiviteit.
Twee zusjes op de bank
Om de rol van emoties te verduidelijken werd het voorbeeld gegeven van twee zusjes die op de bank zitten en hun ouders elkaar zien omarmen na een ernstige gebeurtenis. Het ene zusje denkt: “Ik voel me veilig, want als er iets gebeurt zijn mijn ouders er voor elkaar en dus ook voor mij.” Het andere zusje ziet precies hetzelfde en denkt: “Zij hebben elkaar, ik sta hierbuiten, ik voel me alleen.”
Hetzelfde feit wordt waargenomen, maar de emotie die eronder ligt is totaal verschillend. Dit illustreert dat subjectiviteit gekleurd wordt door de emoties die bij het waarnemen van een feit worden gevoeld.
De reactie hierop was dat beide zusjes met hun ouders in gesprek zouden kunnen gaan om hun beleving te toetsen. Door te onderzoeken hoe het komt dat het ene zusje zich veilig voelt en het andere zich buitengesloten voelt, kan men tot een vorm van gedeelde waarheid komen. Dit sluit aan bij de eerdere gedachte dat toetsing aan de ander helpt om objectiviteit te benaderen.
Terug naar de hoofdvraag: Wanneer is het goed om je oordeel te geven?
Met het inzicht dat een oordeel niet per definitie negatief is en kan bijdragen aan constructieve gedachten, werd teruggekeerd naar de hoofdvraag.
De gedachte ontstond dat een oordeel wenselijk is wanneer het bijdraagt aan een gedeelde, objectieve werkelijkheid. De vraag die men zichzelf zou moeten stellen voordat een oordeel wordt uitgesproken is: draagt het positief bij?
Dit werd aangevuld met de observatie dat een oordeel voorafgaat aan besluitvorming. Om tot een besluit te komen, moet er eerst een oordeel zijn over de situatie.
Het model: Beeldvorming, Oordeelsvorming, Besluitvorming
Er werd een drietrapsmodel geïntroduceerd dat in de gemeentelijke praktijk wordt gehanteerd: het BOP-model. Dit staat voor:
- Beeldvorming – eerst wordt informatie verzameld en gepresenteerd (bijvoorbeeld een verkeersplan)
- Oordeelsvorming – vervolgens wordt er een oordeel gevormd over wat is gepresenteerd
- Besluitvorming – ten slotte wordt een besluit genomen
Aan de oordeelsvorming gaat dus beeldvorming vooraf. Dit model maakte het woord “oordeel” vriendelijker en opener – het hoeft niet altijd negatief en veroordelend te zijn, maar is onderdeel van een proces.
De vraag werd gesteld of dit altijd zo is, of dat beeldvorming, oordeelsvorming en besluitvorming soms simultaan plaatsvinden. Het voorbeeld van het kopje koffie werd opnieuw aangehaald: de smaak, de geur, de temperatuur vormen het beeld, waarna het oordeel volgt dat het lekker is, gevolgd door het besluit om het op te drinken. De gedachte was dat dit wellicht een natuurwet is – dat deze volgorde altijd geldt.
Semantiek en de christelijke traditie
Gedurende de dialoog kwam ook de semantische dimensie van het woord “oordeel” aan bod. In de spreektaal heeft “oordeel” vaak een negatieve lading. Dit hangt samen met de christelijke traditie waarin wordt gezegd: “oordeel niet.”
Er werd opgemerkt dat het woord voorvoegsels kan krijgen die de betekenis kleuren: “veroordelen” heeft een negatieve bijklank, terwijl “beoordelen” iets is dat iedereen doet – het is een manier om te overleven.
De gedachte dat een oordeel uit het mensenbrein komt en niet uit een hogere, goddelijke werkelijkheid, werd ingebracht vanuit theologisch perspectief. Tegelijkertijd werd vastgehouden aan het onderscheid tussen goede en slechte oordelen: men mag oordelen over wat men goed of leuk vindt, en zo’n oordeel kan een positieve bijdrage leveren aan de maatschappij.
Afsluiting
Het gesprek eindigde met de constatering dat er een gedeeld begrip was ontstaan over waar het gesprek was gekomen. De belangrijkste inzichten:
- Een oordeel is niet per definitie negatief
- Oordelen zijn subjectief, maar objectiviteit kan worden benaderd door de eigen subjectiviteit te onderzoeken en te toetsen in dialoog met anderen
- Een oordeel is wenselijk wanneer het bijdraagt aan een constructieve, gedeelde werkelijkheid
- Aan oordeelsvorming gaat beeldvorming vooraf, en oordeelsvorming leidt tot besluitvorming
Over Innovatieve Democratie
Innovatieve democratie is een filosofie en een methode. Het wordt toegepast op maatschappelijke vraagstukken waar vernieuwing van denken en doen wenselijk is en voor menselijk begrip in groepen. Met de methode analyseren we het narratief waarin we leven en hoe en waarom we deze internaliseren en blijven voortzetten, zelfs als de verhalen waarbij we leven blokkerend zijn voor een goed menselijk bestaan. Innovatieve democratie creëert bewustwording van overtuigingen over onszelf, onze cultuur en leert ons echt te luisteren. Hierdoor kunnen we fundamenteel anders denken over onszelf en uitdagingen waar we voor staan, zoals oordelen.
Meer informatie op Open Research